31.8.14

Citroen 2cv AK 350


In 1958 trouwden mijn ouders en begonnen een brood-en banketwinkel. In mijn geboortedorp waren in die tijd een tiental bakkerszaken, ruwweg verdeeld over de verschillende woonwijken. Je vraagt je af hoe dat ooit lonend kon zijn in een dorp van iets meer dan tienduizend inwoners.

Iedere bakker bracht dagelijks zijn waren aan de man in zijn eigen broodwijk. Behalve op zondag; die was toen nog heilig als rustdag. Tegenwoordig zijn in de meeste dorpen de supermarkten zondags geopend, aparte bakkerszaken verdeeld over de woonwijken zijn er nauwelijks meer en al helemaal niet een uitventende bakker in zijn broodwijk.
De klanten stappen tegenwoordig in hun auto om een keer per week de boodschappen te doen. De grootste supermarktketen van ons land heeft enkele jaren geleden als “noviteit” het aan huis bezorgen van de boodschappen weer tot leven geroepen. Om de klant te ontlasten van de strijd om de dichts bij de supermarkt vrije parkeerplaats en beschikbare winkelwagen.
Bij de aanschaf van een bedrijfsauto kijk je naar wat de kosten zijn in combinatie met praktisch nut. Bij de 2cv AK 350 was deze combinatie aantrekkelijk genoeg om voor het vervoer van alles wat benodigd was voor de bedrijfsvoering van de bakkerszaak alsook om voor de zondagse ritjes ingezet te worden. De zogenaamde besteleend had in korte tijd na zijn introductie een goede reputatie opgebouwd als betrouwbare bedrijfsauto. Voor het gebruik als gezinsauto voor een gezin met drie kinderen, was het ontbreken van een achterbank geen onoverkomelijke hindernis. Als kinderen namen wij achterin gewoon plaats op de wielkasten en schoven vrolijk naar voren als vader hard op de rem trapte.
Er waren in die tijd lang niet zoveel auto’s op de weg als tegenwoordig en, ach, eigenlijk kon je met de 2 cv ook helemaal niet zo hard rijden. Ten eerste omdat de motor dat niet toeliet en ten tweede maakte de motor op topsnelheid zo veel herrie dat horen en zien je bijna verging.
Er zat een luchtgekoelde 22 pk motorblokje in, waar de mogelijkheid bestond deze met behulp van een sllinger aan de praat te krijgen als de startmotor dienst weigerde. In de winter kon er een stukje canvasdoek voor de grill bevestigd worden om de motor sneller op bedrijfstemperatuur te krijgen en te houden. Er was niet echt sprake van een kachel. Ik kan mij tenminste niet herinneren dat het ‘s winters ooit warm is geweest in de auto. De smalle bandjes en het hoog “op de benen” staan had als voordeel dat bij sneeuwval (optrekkend vanuit de tweede versnelling!) gewoon gereden kon worden. Alleen de doorgaande wegen werden toen gepekeld en schoongeveegd. De straten in de wijken liet men links liggen. Als kleine jongens probeerden wij altijd achter de weinige auto’s die er ondanks de sneeuwval reden zo lang mogelijk aan de achterbumpers ons mee te laten slepen. De Volkswagen Kever was daarin favoriet; die had de ideale bumper. Daar konden wij met zijn vieren tegelijk achter hangen, oppassend niet met de knieen tegen de twee uitlaatpijpjes te komen.

Mijn ouders hadden een kleine ruimte naast de winkel waar mijn vader voornamelijk kleinbrood bakte en het banket vervaardigde. Het brood voor de winkel en broodwijk werd betrokken van de bakkerij van mijn oom in het centrum van het dorp. Op de tekening is dat te zien. De architectuur heb ik uit het hoofd moeten tekenen door het ontbreken van geschikt beeldmateriaal van hoe het was. Die bakkerij is nu volledig vervangen door nieuwbouw. De besteleend zie je gelukkig af en toe nog wel eens rijden, met zijn karakteristieke geluid van de luchtgekoelde motor.